Opkomst en neergang van de Twentse textielindustrie

Opkomst en neergang van de Twentse textielindustrie

Volgende overlijdensaktes die we bekeken hebben tussen 1810 en 1960 waren de meeste Vollenbroek naamdragers landbouwer. Maar er waren ook wevers en spinners bij. Bijvoorbeeld broer en zus Johannes (1830-1854) en Aleijda (1833-1855) Vollenbroek. Of hun dood op jonge leeftijd te maken heeft met hun beroep is niet duidelijk. Overigens moeten we in het begin nog niet onmiddellijk denken aan industriële productie, vaak ging het om thuiswevers. De meerderheid van de Twentse bevolking was boer op de relatief onvruchtbare zandgronden en hield financieel het hoofd boven water door thuis te weven. De huiswevers deden dit in opdracht van textielhandelaren, die in deze regio fabrikeurs werden genoemd.

Daar kwam verandering in door de Belgische afscheiding in 1830, waardoor de textielindustrie, die met name rondom Gent gevestigd was, verloren ging. Textiel was in die tijd een belangrijk Nederlands exportproduct, met name naar de koloniën in de Oost. Daarom gaf koning Willem I de Nederlandsche Handelsmaatschappij (NHM) opdracht om op zoek te gaan naar een regio waar een nieuwe, Nederlandse textielindustrie ontwikkeld kon worden.

Vanwege de lage lonen, het ruime arbeidspotentieel, de strategische ligging en de bekendheid van de bevolking met het spinnen en weven, koos de NHM voor Twente. Om de Twentse boerenbevolking te leren hoe met de nieuwe snelspoel om te gaan, richtte de uitvinder ervan en tevens adviseur van de NHM, Thomas Ainsworth, in 1833 een weefschool op in Goor. In de daarop volgende jaren richtten fabrikeurs samen met de overheid in vele plaatsen in Twente weefscholen op.

Met de introductie van de snelspoel kwam ook de overschakeling op stoommachines snel dichterbij. De snelspoel maakte het bovendien mogelijk dat ook kinderen als volwaardige wevers werden ingezet. In 1836 opende Ainsworth de eerste Twentse textielfabriek – een ontwikkeling die in zijn vaderland al een aantal decennia eerder had plaatsgevonden – en gaf het gebied rondom zijn fabriek de bijna utopische naam ‘Nijverdal’. Twee decennia later richtten de gebroeders Salomonson hier de eerste stoomweverij op.

Na 1850 kwam de industrialisatie in Twente goed op gang. Omdat de textiel goedkoper geproduceerd kon worden in fabrieken dan in de thuisnijverheid, kwamen textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond. Op het hoogtepunt waren er ongeveer 160 fabrieken. De Twentse industrie bloeide. In 1865 reed de eerste trein door Twente op de lijn Zutphen-Hengelo. In de jaren 1880 volgden verscheidene andere spoorlijnen. De komst van het spoorwegennet zorgde ervoor dat het gebied rondom Almelo, Hengelo en Enschede een belangrijke economische regio werd en dat de textielindustrie zich hier verder kon ontwikkelen.

Naast fabriekshallen en spoorwegverbindingen verrezen in het Twentse landschap ook grote landgoederen. Op deze landgoederen lieten textielbaronnen, zoals de families Van Heek, Ten Cate en Blijdenstein, grote landhuizen of pittoreske kasteeltjes bouwen.

Dit letterlijk opstomen van de Twentse bevolking in de vaart der volkeren had echter ook een keerzijde. De werk- en leefomstandigheden van fabrieksarbeiders waren vaak zeer slecht. Arbeiders kregen lage lonen en de fabrieksopzichters maakten zich schuldig aan het vernederen van mannen, het onzedelijk betasten van vrouwen en het mishandelen van kinderen. De werkdagen waren lang, de werkzaamheden gevaarlijk en de woonomstandigheden van de arbeiders erbarmelijk.

Als gevolg hiervan vond in 1888 een eerste grote staking van fabrieksarbeiders plaats. Dit was echter geen succes. Als reactie op de staking sloten de fabrieksdirecteuren namelijk ook hun andere fabrieken, waardoor de arbeiders daar geen loon meer kregen uitbetaald. Dit pressiemiddel werd wel het Twentse Stelsel genoemd. Bovendien werden de stakers ontslagen want voor hen waren er tien andere armoedzaaiers die het werk wilden overnemen.

Aan het einde van de negentiende eeuw begonnen fabrieksarbeiders zich steeds meer te verenigen in verzuilde arbeidsverenigingen, waartoe de Sociaal Democratische Bond van Ferdinand Domela Nieuwenhuis een eerste aanzet had gegeven. Hierdoor vormde de arbeidersklasse langzamerhand een maatschappelijk machtsblok, waardoor de sociale omstandigheden van arbeiders op de politieke agenda kwam te staan.

Naast sociale onrust kampte de Twentse textielindustrie aan het begin van de twintigste eeuw ook met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de Grote Oorlog kon Nederland geen textielproducten naar Nederlands-Indië exporteren. Omdat de Engelsen mijnen legden in de Noordzee en het Kanaal – de zogenoemde Engelse blokkade tegen de duikbootoorlog tegen Duitsland – was vervoer over zee gevaarlijk. Japan nam daarom de rol van Nederland als belangrijkste exporteur van textiel over. Hierdoor werden veel arbeiders ontslagen. Sommigen kregen van hun baas – als een soort werkverschaffing – de taak woeste gronden te ontginnen en landgoederen aan te leggen.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de Twentse textielindustrie met nog meer tegenslag te maken. Kapotgebombardeerde fabrieken moesten worden opgebouwd. Daarnaast verloor de industrie door de Indonesische onafhankelijkheid een groot deel van haar afzetmarkt. Omdat Twente in de afgelopen eeuw zo afhankelijk was geworden van de textielindustrie, leverde de sluiting van fabriekscomplexen grote problemen op. Niet alleen raakten vele fabrieksarbeiders werkloos, ook moesten steden opnieuw worden ingericht. Gelukkig is een aantal karakteristieke gebouwen bewaard gebleven, die als industrieel erfgoed een nieuwe bestemming.

Bronnen http://nl.wikipedia.org/wiki/Twente en http://ifthenisnow.nl/nl/artikelen/de-twentse-textielindustrie-als-voorbeeld-van-de-industrialisatie-in-nederland